Tennisarm (Epicondylitis lateralis)

Een tennisarm komt tussen de 40 en 50 jaar bij 10% van de bevolking voor. Het geeft pijn aan de buitenzijde van de elleboog op de plaats waar de strekkers van de pols en de vingers aanhechten. De klachten worden waarschijnlijk veroorzaakt door degeneratie (ontaarding) van het peesweefsel op 1 cm van de aanhechting aan het bot. Het komt niet alleen door tennissen maar ook door zwaar handwerk, zoals poetsen of tillen van bijvoorbeeld kinderen.

De behandeling bestaat in de eerste plaats uit het weglaten van handelingen die de pijn uitlokken. Daarnaast kan de arts rust voorschrijven en een tennisarmbandage. Dit kan gecombineerd worden met maximaal drie weken pijnmedicatie.

Als dit niet helpt kan een injectie met een plaatselijke verdoving en een bijnierschorshormoon (corticosteroid) ter hoogte van de aanhechting van de pees worden gegeven. Deze injectie kan zonodig na drie en zes weken worden herhaald. Deze injecties zijn effectiever dan fysiotherapie. In meer dan 90% geven deze niet-operatieve behandelingen een goed resultaat.

Als deze niet-operatieve behandelingen falen, dan kan een operatie worden overwogen waarbij de aanhechting van de pezen ter hoogte van de buitenzijde van de elleboog worden losgemaakt. Het succespercentage van deze behandeling ligt tussen de 60 en 70%.

Na een injectie met een bijnierschorshormoon kan de patient de eerste dagen meer pijn krijgen dan hij al had. Bovendien kan hij de volgende dag een rood gezicht krijgen. De risico’s van een operatie zijn klein maar in 1 a 2% kan er infectie optreden.

Na een injectie met een bijnierschorshormoon kan de patient de eerste weken beter geen zwaar tillende werkzaamheden te verrichten. Ditzelfde geldt voor een operatie voor een tennisarm.

BACK